Van de koele meren des doods
Tap any word to see its meaning — it's saved for review automatically.
De geschiedenis van een vrouw. Hoe zij zocht de koele meren des Doods, waar verlossing is, en hoe zij die vond.
Haar naam heet ik Hedwig Marga de Fontayne. Een Hollandsche vrouw, maar met bloed in zich van uitheemsche voorouders.
Zij was in 't midden der negentiende eeuw geboren en opgegroeid in een Hollandsche provincie-stad, aldaar was klein vertier van handel of bedrijf, maar toch welvaart, want er woonden veel rijken in deftige huizen.
Ook haar huis was groot en deftig, wellicht honderd jaar oud. Het bevatte een ruime, in zomer koele gang met marmeren vloersteenen en witgepleisterde muren. Aan dien gang kwamen uit groote donkere kamers, met roode muurbekleeding, afgezet door smalle gouden lijsten, met wit-en-goud beschilderd houtbeschot en witgepleisterde zoldering. Lichtkronen hingen er, met veel driekantige stukjes kristal. Een deur met glas opende aan 't einde van den gang naar den tuin, waar schrale bloemheesters stonden in zeer zwarte vette aarde, aan licht te kort komend onder één zwaren boom, een roodbladerige beuk. Er was een lichte zonnige tuinkamer; daar huisde het gezin meesttijds. De ramen waren er hoog, drie in getal, met kleine violette ruiten. De vensterbanken konden in tweeën opengaan, en aldus, de ramen op, waren er des zomers drie groote gaten buitenlucht, met door uitstaande gordijnen verschemerd zonlicht, in het breede vertrek.
Tusschen vele soortgelijke huizen stond het huis in de stille, bochtige hoofdstraat der stad. Een rijweg van blank-grauwe, welgevoegde kei-steenen in 't midden, daarnaast twee voetpaden van gele gebakken steentjes, dan de blauw-hardsteenen stoepen en palen met ijzeren staven of kettingen, dan de vensters hoog en saai, met donkere inkijk, en zelden menschen er achter. De dingen achter 't glas zichtbaar, meubels en bloemvazen, zeer ordelijk gehouden en rein, maar onschoon, want niet om liefde of gevoel maar om doodende gewoonte.
Zij vond in dit hare vreugde-aandoeningen en zag het onschoone niet. In den morgen was de straat zonnig, in den lichten zomermorgen, en vol vreedzame bedrijvigheid. Als zij uitging, naar school, en trok de straatdeur achter zich dicht, dan voelde zij het leven warm en helder om zich, alles in zijne orde goed. Zij zag de bakkers het brood rondbrengen, en de lichtgekleede dienstmeisjes op de stoepen, en den wagen die het vuilnis ophaalde. En over alles lag de zomerzon, de roode daken gloeiden, de ramen glinsterden, en onder den zwaren kastanjeboom op het straatplein lag levendgroenige schaduw.
In haar huis in stad was ook haar jonge leven in aanvang niet kommerlijk. Ze vond het vreugde-voedsel hier en daar, als een die in den morgen hongert. Er waren goede uren des morgens aan 't ontbijt als de stille zon in de tuinkamer scheen, en ook des winter-avonds op haars vaders schoot bij den haard. En de uren van vertrouwelijk samenzijn met haar moeder.
Public Domain · Frederik van Eeden — source