Afke's Tiental — De kleine Pop
Tap any word you don't know — it's saved for review automatically.
't Was heel stil in de anders zoo drukke kamer. Poes lag te spinnen tusschen de geraniums op de vensterbank. Oude Saapke, de baker, zat half te dutten bij de tafel.
Daar klonk een héél fijn, klagend stemmetje uit een hoek van de kamer: ‘E-ê-lê-lê!’ en meteen verscheen er een magere hand tusschen de dichtgeschoven gordijnen van een hooge bedstee, waarvan de deuren openstonden.
‘Saapke, de kleine jongen is wakker. Toe, laat me hem eens zien!’
Saapke stond langzaam op en waggelde naar den hoek, vanwaar het stemmetje zich liet hooren. 't Kwam uit een kist, die in een hoek bij 't bed stond, en die door moeder-zelf keurig bespijkerd was met blauwe stof, met een laag oude lappen er onder. Haar tiende kindje moest toch een lekker zacht nestje hebben, 't arme kleine ding, al schoot er geen echt wiegje voor hem over! De oude ‘nane’ toch was totaal versleten, en voor een nieuwe had moeder geen geld. 't Was al moeilijk genoeg om rond te komen en al die hongerige mondjes elken dag, zoo goed als 't ging, te verzadigen!
En zoo had moeder Afke dan van die oude houten kist een nestje gemaakt, zóó zacht en zóó lekker als 't kindje maar wenschen kon, en dat 't er van buiten minder mooi uitzag, daar had het kleine schepseltje nog geen weet van.
Daar haalde Saapke ‘de pop’ te voorschijn; - elk klein kindje heet in Friesland ‘de pop’ of ‘de kleine pop,’ moet je weten - en bracht hem zegevierend bij zijn moeder. Deze keek met oogen vol liefde naar het kleine, stijf ingebakerde wezentje, met zijn klein, rood gezichtje. Ze nam 't voorzichtig in haar armen en zoende 't telkens en telkens weêr op de fluweelzachte wangetjes en 't gerimpelde voorhoofdje, ja, zelfs op de kleine, teere vingertjes, die aanvoelden als héél jonge, zachte, kleine slaboontjes.
‘Kijk toch eens, Saapke, riep ze, ‘wat een engeltje! En wat 'n zachte, zwarte krulletjes heeft 't in z'n nekje! Kijk eens, wat 'n aardig lokje, dat daar onder 't mutsje vandaan komt kijken en wat 'n lief neusje! En die oogjes, hoe verstandig! O Saapke, 't is 'n schat!’
Maar Saapke stond er hoofdschuddend bij. ‘Ja,’ zei ze, ‘'t kindje is wel lief, al is 't dan ook maar 'n heel klein, mager popke, maar me dunkt, je hebt toch al kinderen genoeg, Afke! Je bent warempel nog net zoo blij met je tiende, als 'n ander met nummer één. 't Is, of je nog nooit 'n klein kindje gezien hebt, zoo bekijk je 't aan alle kanten!’
Public Domain · Nynke van Hichtum — source