← All passages

Uit het leven van Dik Trom (Hoofdstuk I van 4)

Dutch · Intermediate · ~9 min read

Tap any word to see its meaning — it's saved for review automatically.

DIRK WORDT GEBOREN EN KRIJGT EEN NAAM.

Moeder was ziek; al sedert vier dagen had zij hevige koortsen, die haar dwongen het bed te houden. Doch hoe ziek zij ook was, toch klopte haar hart van blijdschap, want dezen morgen was haar liefste wensch vervuld; de goede God had haar een zoon geschonken.

Haar man wist nog niet, welk groot geluk hem te beurt was gevallen, want hij werkte op grooten afstand van zijne woning, zoodat het gewoonlijk reeds laat in den avond was, als hij thuis kwam. Nu verwachtte Moeder hem evenwel vroeger, want zij had hem een bode gezonden, om hem het groote nieuws mede te deelen.

Daar ging de deur open. Zou hij het wezen? Neen, 't was eene buurvrouw, die eens even naar den kleine kwam zien. De baker nam hem uit de wieg en hield hem de buurvrouw voor. Doch nauwelijks zag deze hem, of zij sloeg van verbazing hare handen in elkander, en riep uit:

"Wel, wel, wat een driedubbeldikke jongen is dat! Zoo 'n dikzak heb ik nog nooit gezien! 't Is zoo waar een natuurwonder! Welke bolle wangen, en zie me die beenen eens aan! Als die jongen zoo moet blijven doorgroeien, kan hij later niet meer door de deur. Och, och, wat een jongen! Nu, moedertje, van harte gefeliciteerd, hoor; ik wed, dat je genoegen aan dien jongen zult beleven. Hij kan wel voor twee tellen, en wat ziet hij er lief uit. Ik vind hem een recht lieven jongen,--maar wat zal hij kunnen eten!"

"Of hij, buurvrouw," viel de baker in, "daar kun je op rekenen! Hij zal den hollebollen Gijs wel nadoen, die eene koe en een kalf en een dood paard half opat. Och, m'n lieve mensen, wil je wel gelooven, dat ik van hem geschrokken ben? Die jongen heeft wangen als oliebollen!"

"Ik zou hem nu maar in de wieg leggen, baker," zei Moeder. "Anders mocht hij eens kou vatten."

Hij zelf zeide niets; praten kon hij nog niet en schreeuwen scheen hij niet te willen. Hij blikte voor zijn leeftijd buitengewoon verstandig in het rond, alsof hij zich aan de vreemde omgeving wilde gewennen, keek toen gedurende langen tijd zijne moeder aan, die hem, te oordeelen naar zijn tevreden gelaat, zeer goed scheen te bevallen, en richtte zijn blik daarna op de baker. Deze viel blijkbaar minder in zijn smaak, want hij trok een heel vies gezicht, draaide zijn hoofd met duidelijke teekenen van afkeer om en liet zijn oog op de wieg vallen, waarvan het gezicht hem, naar het scheen, veel aangenamer aandeed. De tevreden uitdrukking van straks gleed weer over zijn gelaat, en zijn mond plooide zich tot een welbehaaglijk glimlachje.

De baker trok hem zijn nachtgoed aan, waarvan wel de helft te klein bleek te zijn, en legde hem in de wieg, waarin hij zich zeer op zijn gemak gevoelde. Met een vergenoegd gezicht sliep hij in.

Een poosje later kwam zijn Vader thuis. Deze was timmermansknecht bij baas Meyer. Dadelijk na het ontvangen van de heuglijke tijding had hij zich op weg begeven. Vol blijdschap over de geboorte van zijn zoontje stapte hij de kamer binnen, gaf zijne vrouw een kus en spoedde zich toen naar de wieg, waarvan de baker het kleed al had opgeslagen. Hoe groot was ook zijne verbazing bij 't aanschouwen van zijn welgedanen zoon! Toch uitte hij die niet in een stortvloed van woorden en uitroepen. Hij spalkte zijne oogen wagenwijd open, streelde met zijne ruwe hand de dikke wangen van zijn spruitje, keek de baker eenige seconden wezenloos aan, en.... ging zijn boterham eten.

"Nu, man, vind je het geen bijzonder lief kind?" vroeg zijne vrouw. "En wat is hij dik, niet waar?"

Vader had juist, onverstandig genoeg, een grooten hap brood genomen, nog vóór hij den vorigen, even grooten hap had doorgeslikt. Zijn mond was daardoor zóó vol, dat hij met den besten wil van de wereld geen woord kon uitbrengen. Het duurde dus eenigen tijd, eer hij in staat was te antwoorden:

"Dik? Of hij dik is,--dat is-ie."

Nauwelijks waren die gewichtige woorden zijn mond ontgleden, of met een nog grooteren hap maakte hij zich opnieuw het spreken onmogelijk.

"Maar man," vervolgde zijne vrouw, "hoe zullen we hem nu noemen? Hij moet zeker naar je vader vernoemd worden? Heette die niet Arie?"

"Hij zal Dirk heeten, dat zal-ie," klonk het uit den vollen mond van den heer des huizes. "Mijn broer, die naar Amerika is gegaan, heet ook zoo, dat doet-ie, en daarom, zie je.... hap!"

Het laatste stuk brood verdween in 's mans mond en maakte een einde aan zijne schitterende redevoering. Toen hij weer spreken kon, draaide hij zich om, boog zich nog eenmaal over het wiegje, ging bedaard voor het bed van zijn vrouw staan en zeide:

"Wat zullen we er aan doen, Griet? 't Is een bijzonder kind,--dat is-ie."

Daarna stapte hij, bedenkelijk zijn hoofd schuddende, naar den burgemeester, om het bijzondere kind te doen inschrijven onder den naam van Dirk. En daar hij zelf Jan Trom genoemd werd, zou zijn zoon later luisteren naar den naam van Dirk Trom.

Public Domain · C. Joh. Kieviet — source