Uit het leven van Dik Trom (Hoofdstuk II van 4)
Tap any word to see its meaning — it's saved for review automatically.
DIRK EN DE BAKER WORDEN KWADE VRIENDEN.
Dirk Trom was geen gewone jongen, dat toonde hij duidelijk. Schreeuwen, wat andere kinderen blijkbaar voor eene aangename tijdkorting houden en waarin velen van hen het soms buitengewoon ver brengen, vond hij volstrekt niet aardig, ja, hij scheen het zelfs beneden zijne waardigheid te vinden. Hij deed het dan ook nooit, zelfs niet, toen de baker hem per ongeluk tamelijk diep met eene speld prikte. Hij gaf geen kik, maar keek haar alleen met een zoo verwijtenden blik aan, dat zij niet wist, hoe zij het met hem had. Over het geheel scheen hij met deze goede vrouw weinig op te hebben, en dat verdiende ze toch niet aan hem, want zij verzorgde hem zoo goed als in haar vermogen was. Ook zijne zieke moeder verpleegde zij met groote hartelijkheid. Doch Dirk waardeerde dat niet, integendeel, hij was norsch en stug tegen haar. Hij wilde uit hare hand zelfs geen voedsel aannemen, hoe vriendelijk zij hem ook toelachte. Liever was hij in de armen van zijne moeder. Niet dat hij het dan uitkraaide van pleizier, o neen, hij was blijkbaar heel kalm van natuur en verre van luidruchtig, maar als hij bij moeder was, lag er een waas van tevredenheid over zijne dikke wangen en keek hij haar vriendelijk in de liefdevolle oogen, terwijl hij met zijne vingertjes op zijn buik trommelde, alsof hij piano speelde.
Toen hij tien dagen oud was, kwam het tusschen hem en de baker tot eene bepaalde vredebreuk. De vrouw van Meyer, den timmerman, die vrouw Trom tijdens hare ziekte had bezocht, stuurde een lekker soepje, met de boodschap, dat ze spoedig nog eens zou komen zien, hoe moeder en kind het maakten. De baker zette de soep op een vuurtje, om die warm te houden, plaatste het comfoortje vóór zich op tafel, en nam den kleinen Dirk op haar schoot, om hem te verkleeden. Dirks moeder, die zeer zwak was, lag in een gerusten slaap. Af en toe roerde de baker eens in de soep, opdat deze niet zou aanbranden, en nam dan telkens een paar lepels vol, om te proeven, hoe warm ze was. Ze had er geen erg in, dat die handelwijze den jongeheer volstrekt niet scheen te bevallen, maar spoedig zou zij het tot haar grooten schrik bemerken. Toen zij Dirk verkleed had en gereed was, hem in de wieg te leggen, kwam het haar voor, dat de soep aanbrandde. Dadelijk nam zij den schotel in de hand en schoof het comfoortje op zijde. Nu nam zij den lepel in de andere hand, en wilde zich overtuigen, of zij zich ook bedrogen had. Juist bracht zij den lepel in den mond en bemerkte ze, dat zij in de haast ook een balletje gehakt had opgeschept, toen Dirk plotseling de beide beenen met zulk eene kracht omhoog wierp, dat hij haar den schotel uit de hand schopte, zoodat de inhoud haar schoone jurk in een ommezien in eene soepjurk veranderde. De goede vrouw schrikte daar zoo hevig van, dat het lekkere balletje gehakt haar in het verkeerde keelgat schoot, waardoor zij eene hoestbui kreeg, die haar het angstzweet deed uitbreken. Dirk Trom keek haar zegevierend aan. Van dat oogenblik af vreesde de baker hem.
Kort daarna begon Moeder langzamerhand sterker te worden, en toen zij hare krachten teruggekregen had, vertrok de baker. Bij die gelegenheid liet Dirk voor 't eerst zijn geluid hooren: hij nam afscheid van haar met eene langgerekte a!
Public Domain · C. Joh. Kieviet — source